Hoe zorgorganisaties toch kunnen verduurzamen, ondanks netcongestie
Verduurzamen ondanks netcongestie? Bij Stichting Karakter kon het.
Veel zorginstellingen willen verduurzamen. Ze willen van het gas af, het energieverbruik omlaag en hun gebouwen klaar voor de toekomst maken. Maar zodra netcongestie ter sprake komt, lijkt alles vast te lopen. Want hoe kun je elektrisch verwarmen als je aansluiting dat niet toelaat?
Bij Op Naar Nul kijken we anders. Wij zien netcongestie niet als blokkade, maar als vertrekpunt. In dit artikel delen we een praktijkvoorbeeld uit de zorg: Stichting Karakter, waar volledig gasloos niet haalbaar leek. Totdat we de puzzel anders legden en er meer mogelijk was dan vooraf gedacht.
Stichting Karakter: meer mogelijk door anders te rekenen
Stichting Karakter is een specialist in kinder- en jeugdpsychiatrie, met meerdere gebouwen op een groen terrein in Ede en Apeldoorn. De wens om te verduurzamen speelde al langer: de organisatie wil haar impact verkleinen en haar vastgoed toekomstbestendig maken. Een logische ambitie – zeker als je werkt met en voor jonge mensen. Maar het advies van de installateur was helder: volledig gasloos past niet binnen de bestaande aansluiting. En daarmee dreigde de stichting haar ambitieuze plannen te laten varen.
Van aannames naar echte verbruiksdata
Op Naar Nul keek opnieuw. Niet naar aannames, maar naar data. We analyseerden het gas- en stroomverbruik per gebouw, inclusief piekmomenten en verdeling over de dag. De oorspronkelijke berekening ging uit van gelijktijdige pieken, alsof verwarming en tapwater overal tegelijk draaien. Dat sluit aan bij het klassieke denken in één-op-één vervanging: een gasketel eruit, een warmtepomp met vergelijkbaar vermogen erin.
Maar zo werkt verduurzaming vandaag niet meer. In plaats van te rekenen met maximale pieken, keken wij naar de werkelijke warmtevraag over een heel jaar. Daarbij gebruikten we van ons eigen datamodel. Speciaal ontwikkeld om pieken, verbruiksprofielen en benutbare ruimte in kaart te brengen.
Aanpak & inzichten bij de gebouwen in Ede
De data-analyse bracht drie belangrijke inzichten naar boven. Hieronder lichten we ze kort toe:
- Tapwatergebruik veel hoger dan geschat
De installateur ging uit van 10% tapwatergebruik binnen het totale gasverbruik. Uit onze data bleek dat dit in werkelijkheid ruim 40% was. En dat verbruik vindt niet overal tegelijk plaats. Door tapwater in de ochtend te verwarmen en de verwarming pas later op te voeren, voorkom je dat beide systemen tegelijk aan staan. Zo spreid je het stroomverbruik en verlaag je de piekbelasting.
- Rekenen met kwartierwaarden in plaats van uurgemiddelden
Kwartierwaarden geven een realistischer beeld wanneer pieken écht ontstaan. Daarmee zie je precies op welk moment veel vermogen wordt gevraagd en wanneer juist niet. Met dat inzicht kun je installaties beter aansturen en het verbruik afstemmen op momenten waarop er nog ruimte is op het net.
- Slim spreiden van energievraag tussen gebouwen
Omdat alle panden op één aansluiting zijn aangesloten, maar niet gelijktijdig dezelfde vraag hebben, ontstond er ruimte door de energievraag slim te spreiden. Daardoor daalt het piekvermogen. Daarnaast adviseerden we om zonne-energie direct in te zetten op het terrein: wat het ene pand opwekt, kan worden gebruikt in een ander pand dat op dat moment extra stroom nodig heeft.
Van analyse naar uitvoering
Wat bleek na onze analyse? Het knelpunt zat niet in de aansluiting, maar in de aannames en de rekenaanpak.
Na analyse van het gas- en stroomverbruik zagen we dat het werkelijk benodigde vermogen veel lager lag dan wat er nu is opgesteld: 45 kW in plaats van 90 kW. Daarmee bleek de aansluiting wél geschikt voor een all-electric plan voor twee gebouwen. Samen met Stichting Karakter werken we stap voor stap toe naar een gasloos terrein.